 |
 |
 |
 |
 | Moord op Graaf / Assasination of Earl Floris V |
|
|
Moord op Floris V / Assasination of Earl Floris V
|
|
|
|
Floris V, graaf van Holland, 1254-1296.
|
De "tombe van Floris V" is tot op de huidige dag in de Grote St. Laurenskerk in Alkmaar te zien.
|
|
|
|
|
|
Afbeelding van de bovenkant van de graftombe van Graaf Floris V
|
|
|
|
|
De Heren van Amstel (ook geschreven als Heeren van Aemstel of Heren van Aemstel) waren een middeleeuws adellijk geslacht die het Amstelland ontgonnen en over het gebied regeerden in naam van de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland.
Floris V (zie ook artikel over Slot Berckenrode) was de zoon van graaf Willem II, die tevens rooms-koning was. Via zijn moeder was hij verwant met het Schotse koningshuis. Beide koninklijke bloedlijnen gebruikte hij in zijn politiek. Het Binnenhof staat tegenwoordig symbool voor het Haagse politieke leven. Slechts weinigen beseffen dat de geschiedenis van het complex teruggaat tot de dertiende eeuw en nauw verbonden is met de regeringsperiode van de beroemdste middeleeuwse Graaf van Holland, Floris V.
In 1280 verwerft Graaf Floris V zich Woerden en onderwerpt het plaatsje dat nadien tot het graafschap Holland behoort. Over de geschiedenis van Woerden zijn we meer te weten gekomen vanaf de twaalfde eeuw. Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht van 1156 - 1178, versterkte Woerden omstreeks het jaar 1160 en bouwde een slot als extra grensversterking tegen het Graafschap Holland. De Bisschop benoemde een kastelein om het slot voor hem te beheren. Dit kasteleinschap was erfelijk. De kastelein werd tevens benoemd tot "Heer van Woerden". De kasteelheren moesten vanaf 1280 de Graaf van Holland (Floris V) dienen en niet meer de Bisschop van Utrecht.
Gerrit van den Vliet [ Gen. XXII 3507000], voorouder van de Probandus Marnix Alexander de Paula Lopes, heeft een broer gehad en die was; Herman IV Heer van Woerden [1274 - 1304]. Hij was volgens erfrecht ook kastelein van Woerden. De Opa van Willem van Mijnden [Gen. XXVI 56115680] is Gijsbrecht I van Amstel van Mijnden [Gen. XXVIII 224462720], beide voorouders van de Probandus. Zijn kleinzoon Gijsbrecht III heeft een dochter Elisabeth van Amstel gekregen. Zij trouwt voor 1287 Herman IV van Woerden!
|
|
|
|
|
Wolfgerus (Generatie 29 (edelstambetovergrootouders)is de stamvader van het Huis van Amstel van Mijnden. Zijn achterachterachterkleinzoon Gijsbrecht IV van Amstel (1235-1303), is één der hoofddaders op de moord van Graaf Floris V in 1296! Zijn achterachterkleinzoon Gijsbrecht III heeft een dochter Elisabeth van Amstel gekregen. Zij trouwt voor 1287 Herman IV van Woerden, ook één der hoofddaders op de moord op Graaf Floris V. Herman IV van Woerden is de Broer van Gerrit van Vliet waar de probandus vanaf stamt, zie Gen. 23 Nr.: 7014000 EDELOUDGROOTOUDER.
|
|
|
|
|
Gijsbrecht van Amstel IV [achterkleinzoon van Gijsbert I van Amstel van Mijnden] ziet zijn plannen gedwarsboomd om onafhankelijk te worden en liet Floris V in 1296 vermoorden. Hij had daarbij steun van Koning Edward I van Engeland, met wie Floris een slechte verstandhouding had gekregen. Ook zat hij niet op goede voet met en de heer Gerard van Velzen en de heer Herman van Woerden IV. Herman van Woerden's Graven paard bij den toom gevat had, hem de sperwer uit de hand rukte:
Woerden, die voorop reed, vatte Floris' paard bij den teugel, zeggend: "Uwe hoghe spronghe zijn ghedaen: Ghi ne sult niet meerder voeren driven, ...heer meester, Ghi moet bliven onse ghevanhen, wien lief of leet..."
Veel beter werden de heren van Amstel, Velzen en Woerden er niet van. De heer van Velzen had Floris vermoord. Toen de bevolking Floris wilde bevrijden, werd de heer van Velzen zelf ook omgebracht door de woedende menigte. De heren van Amstel en Woerden raakten al hun bezitting en kwijt in 1296 en leefden vervolgens tot aan hun dood in armoede en ballingschap. Zie hiervoor: 1. XXIII Jan van Persijn [Gen. 23 Nr.: 7028544 EDELOUDGROOTOUDER] 'die na de begaane moord, die in het jaar 1296 voorhield, ook het huis Velsen, dat ter dier oorzaak ten voordeel van de Graavelijkheid was verbeurd verklaard, verkreeg' . 2. Willem Eggert [Gen. 23 Nr.: 7026362 EDELOUDGROOTOUDER] die als overman optrad als grafelijke tresorier en deed onder andere uitspraak inzake de moord op Floris V.
|
|
|
|
|
|
|
|
Tolprivilege. De naam Amsterdam verschijnt voor het eerst in dit document dat op 27 oktober 1275 te Leiden werd opgesteld: het zogenaamde tolprivilege van graaf Floris V van Holland. De graaf bepaalt hierin dat “lieden die nabij de Amsteldam verblijven” (“homines manentes apud Amestelledamme”) in zijn gebied geen tol hoeven te betalen.
|
|
|
The Assassination of Floris V
|
The lords of Amstel (also written as Heeren van Aemstel if lords of Aemstel) were a medieval noble line who developed the Amstelland and governed the area in name of the Bishop of Utrecht and the Earl of Holland.
Floris V (also see the article concerning 'Slot Berckenrode') was the zoon of Earl Willem II, who was also a Roman King. By means of his mother he was related to the Scottish Kings. He used both royal blood lines in its politics.
In 1280 the Earl Floris V acquired himself Woerden and submits the place and thus afterwards belonged to the county of Holland. Concerning the history of Woerden we have come to know more as from the 12th century. Godfried of Rhenen, Bishop of Utrecht of 1156 - 1178, reinforced Woerden around the year 1160 and built a extra border against the county of Holland. The Bishop appointed a keeper to manage matters for him. This ‘kasteleinschap’ was hereditary. The keeper was tevens appointed as "Lord of Woerden". From 1280 they had to serve the Earl of Holland (Floris V) and no longer the Bishop of Utrecht.
Gerrit van den Vliet [ancestor of the Probandus Marnix Alexander the Paula Lopes gen. XXII 3507000 ] had a brother who was; Herman IV Lord of woerden [ 1274 - 1304 ]. He was according to law of inheritance also keeper of Woerden. The grandfather of Willem van Mijnden [ gen. XXVI 56115680 ] was Gijsbrecht I of Amstel van Mijnden [ gen. XXVIII 224462720 ], both ancestors of the Probandus. His grandson Gijsbrecht III had a daughter Elisabeth of Amstel. She married 1287 Herman IV Lord of Woerden!
Gijsbrecht of Amstel IV [ greatgrandson of Gijsbert I of Amstel van Mijnden ] saw his plans become thwarted in becomming independent and had Earl Floris V assassinated in 1296. In doing so he had the support of the King Edward I of England, with which Earl Floris V had had a bad understanding. Both Lords Gerard Van Velzen and van Woerden were also swarn enemies of Earl Floris V. They took him prisoner. When the population tried to free Earl Floris V, it was finally Lord Van Velzen who had assassinated him. Lord van Velzen himself was killed by the raging mob. The Lords van Amstel and van Woerden lost all their possessions (1296, please also see zie XXIII Jan van Persijn [Gen. 23 Nr.: 7028544 EDELOUDGROOTOUDER]) and from that moment on lived in poverty and exile until they died.
|
|
|
|
|
Ruïne van het huis van Gerrrit van Velsen; het huis was in bezit van de familie Persijn / House of Gerrit van Velsen; in ownership of the Persijn family.
|
|
|
|
|
|
Lied over de moord op Floris V. Het lied in dit handschrift wordt vaak het Lied van Gerard van Velzen genoemd en beschrijft een dramatische episode uit de middeleeuwse geschiedenis van Holland. Graaf Floris V wordt door enkele van zijn edelen gevangen genomen en tenslotte vermoord. Vermoedelijk speelden internationale politieke verwikkelingen hierbij een rol, maar volgens verschillende vroege bronnen, waaronder dit lied, was er een vrouw in het spel: Floris zou de vrouw van Gerard van Velzen hebben verkracht en de moord was dus een persoonlijke afrekening. In dit handschrift staat de zogenoemde korte versie van lied, die op allerlei punten verschilt van de lange versie.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Wie wil horen een nieu liet, Hoort toe, ick salt u singen, Hoe Geeraert van Velsen graef Floris verriet, 't Syn also wonderlijke dinghen.
Graef Floris tot Geraert van Velsen sprak: 'Gheraert van Velsen, ghy moet hijlicken Al an een weeuwtgen heeft ghoets ghenoech, En sy is also suyverlijke.'
'Die schand en schieter mijn nemmermeer,' Sprack Geraert van Velsen tot synen lantsheer, 'Eer ghy my sout brengen in sulk verdriet, U ouwe versleten schoenen en wil ick niet.'
'Gheraert van Velsen myn lieve neef, Had ghy die woortgens wat beter beleydt, Al had ghy by u ridders hals ghesworen, Ghy sultse draghen ist u lief of leydt.'
Een korte wijl en was daer niet lang, Geraert van Velsen ging een huysvrou trouwen. Graef Floris schreef Geraert van Velsen eenen brief, Dat hi tot hem komen soude.
Gheraert van Velsen dorst het laten niet, Hy deed dat syn lantsheer hem riet, Hy reed an gheen landsdouwe. Dewijl sliep die graef al van Hollandt, by syne over schoone vrouwe.
Sy riep so luyt: 'Kraft en ghewelt, Wat doet ghy mijn edele landsheere? Wasser een ander op mijn ghestelt, Ghy soudt hem met u swaert af keeren.'
Krijten en karmen mocht haer baten niet. Haer eer most sy daer laten. Doe hy syn willetgen hadde ghedaen, Doe reed hy t' Uytert al inde baen.
Gheraert van Velsen had een soete lief, Van Woerden tot eenen wyve, Daer meenden hy me vrolik te syn, Maer t' most den graef syn boeltgen blijven.
Doen Geraert van Velsen weder thuyswaert quam, Daer hi syn liefgen plach te groeten, 'Wat isser mijn weerde vroutgen gheschiet, Dat sy my niet en komt te moete?'
Geraert van Velsen op de kamer quam, Hy vandt syn soete lief in rouwe. 'Heeft u yemant leydt ghedaen, Segt my, wel over schoone vrouwe.'
'Geraert van Velsen mijn lieve man, Nu isset al verloren, Te slapen aen u groene sy: Graef Floris heeft mijn eer ghenomen.'
'Dat hy u eertgen benomen heeft, Dat is u soete lief al vergheven. Gister was hy mijn heer, nu ben ick de syn, Dat sal hem kosten syn leven.
Hy setten eenen valk op synen handt, Of hy spatseeren soude rijden, Hy dede een sprong van eenen haes, Of hy graef Floris sou ontlijven.
'Och Geraert van Velsen, mijn lieve neef, Wout ghy my leven laten, Ick salder van uwen bastertdochter, Een gravin van Hollandt maken.'
'Dat en doe ick nu noch nimmermeer. Ken wilse gheen verrader gheven. Ghy hebter mijn huysvrou haer eer benomen, Dat sal u kosten u leven.
Dat ghy mijn broeder hebt vermoort, Dat had ick u al vergheven. Nu hebt ghy myn huysvrou haer eer benomen, Dat sal u kosten u leven.'
Hy wurp hem een paer handscoen voor syn mont, Op dat hy niet en soude luyden. Hy voerde hem vant huys te Kronenburch, Al op dat hooghe huys te Muyden.
Snachts omtrent de middernacht, Omtrent ter halver nachte, Doe lach die edele graef al van Hollandt, Ghesloten in boeyen also vaste.
Smorghens doen het was schoon dach, De heren souden daer wat eten, Doe dacht die graef al van Hollandt: 'Rijck Godt, nu ben ick al vergheten.'
Sy brochten hem daer een stuk berespek, Syn swynenspeck was onghebraden, Doe dacht die graef al van Hollandt: 'Rijck Godt, nu ben ick al verraden.
En had ick een schiltknecht goet, Die my verloste van den bloede, Ick sou hem schencken mijn bruyne schilt, Met mijnen yzeren hoede.'
Geraert van Velsen was rat ter hant. Hy greep een becken van de want, Hy wies graef Floris van den bloede. 'Segt my, o graef al van Hollant, hoe is u nu te moede?'
'Hoe my nu te moede is: En ick moet immers sterven. Had icker een wijf met een kint, Die ick mijn groote goet mocht erven.
Ick heb noch wel een soon heer Jan, Hy is soo ver in vreemde landt, Hy kander syn goet regieren niet: Dus leydt myn hert in groot verdriet.
En daer is mijn een bastert soon, Hy is so jonck van weken, Al quam hy noch over hondert jaer, Syns vaders doot sal hy wel wreken.'
Een korte wijl en was daer niet lang, Gheraert van Velsen wert daer ghevangen, Hy dochte soo dick by syner eer, 'Rijck Godt, nu moet ick immers hangen.'
Hangen en was hem noch niet goet genoech, Hy moest wel sevenwerf meer lijden. Sy deden een vat vol spijkers slaen, Daer moest syn edeldom in zijghen.
Sy rolden hem daer drie daghen lanck, Drie daghen voor den noene. 'Gheraert van Velsen, wel lieve man, Hoe is u nu te moede?'
'Hoe my nu te moede is, Dat sal ick u wel seggen: Ick ben noch de selfde man, Die graef Floris syn leven nam.'
|
Wie wil een nieuw lied horen, luister, ik zal het voor u zingen, hoe Gerard van Velsen graaf Floris verried, het is een opzienbarende geschiedenis.
Graaf Floris sprak tot Gerard van Velsen: 'Gerard van Velsen, u moet in het huwelijk treden met een weduwe; ze is rijk genoeg en fatsoenlijk bovendien.'
'Die schande zal mij nooit gebeuren,' zei Gerard van Velsen tot zijn landsheer, 'dat u mij een dergelijk leed zou aandoen, ik hoef uw oude, versleten schoenen niet.'
'Gerard van Velsen, mijn beste vriend, u had wat beter op uw woorden moeten passen, al had u uw leven op het spel gezet, u zult ze (die schoenen) dragen, of u wilt of niet.'
Kort daarna trad Gerard van Velsen in het huwelijk. Graaf Floris schreef Gerard van Velsen een brief waarin hij hem opdroeg bij hem te komen.
Gerard van Velsen durfde het niet te weigeren, hij deed wat zijn landsheer hem opdroeg en begaf zich naar gindse landstreek. Intussen sliep de graaf van Holland bij Gerards bijzonder mooie vrouw.
Zij riep luid: 'Verkrachting en geweld, wat doet u nu, mijn edele landsheer? Als iemand anders mij zo behandelde, zou u hem met uw zwaard verdrijven.'
Huilen en kermen mochten haar niet baten, haar eer verloor ze bij die gelegenheid. Toen hij zijn wil had gedaan, begaf hij zich op weg naar Utrecht.
Gerard van Velsen had een knappe beminde van Woerden als echtgenote, daar hoopte hij gelukkig mee te zijn, maar zij werd het liefje van de graaf.
Toen kwam Gerard van Velsen weer thuis, waar hij gewend was zijn beminde te begroeten. 'Wat is er met mijn lieve vrouw gebeurd, dat ze me niet tegemoet komt?'
Gerard van Velsen betrad het slaapvertrek en trof zijn beminde aan in diepe rouw. 'Heeft iemand u verdriet gedaan, zeg het mij, zeer schone vrouwe.'
'Gerard van Velsen, mijn beminde echtgenoot, Nu is alles verloren, ik kan niet langer aan uw zijde liggen: graaf Floris heeft me van mijn eer beroofd.'
'Dat hij u van uw eer heeft beroofd, dat wordt u, teerbeminde, geheel vergeven. Gisteren was hij mijn heer, nu ben ik de zijne, dat zal hem zijn leven kosten.'
Hij plaatste een valk op zijn hand, alsof hij zich in het vrije veld ging vermeien, hij maakte een sprong als een haas, alsof hij graaf Floris wilde ombrengen.
'Och Gerard van Velsen, mijn beste vriend, als u me in leven laat dan zal ik van uw bastaarddochter (door haar te trouwen) een gravin van Holland maken.'
'Dat doe ik nooit ofte nimmer. Ik zal haar nooit aan een verrader geven. U hebt mijn echtgenote van haar eer beroofd, dat zal u het leven kosten.
Dat u mijn broer de dood in heeft gejaagd, dat had ik u reeds vergeven. Nu hebt u mijn gemalin haar eer ontnomen, dat zal u het leven kosten.'
Hij bond hem een paar handschoenen voor zijn mond, zodat hij geen gerucht zou maken. Hij voerde hem van kasteel Kronenburch naar het hoge slot te Muiden.
's Nachts rond de klok van twaalven, in het holst van de nacht, lag de edele graaf van Holland vast in de boeien geslagen.
Toen de dag 's ochtends stralend begon, de edelen zouden daar iets eten, toen dacht de Hollandse graaf: 'Almachtig God, nu heeft men mij vergeten.'
Zij brachten hem toen een stuk varkensspek, zijn zwijnenspek was rauw, toen dacht de Hollandse graaf: 'Almachtig God, nu word ik te gronde gericht.
Als ik nu een goede schildknaap had die mijn wonden zou verzorgen, dan zou ik hem mijn gepolijste schild en mijn stalen helm schenken.'
Gerard van Velsen schoot snel toe. Hij greep een waskom van de muur en waste het bloed van graaf Floris af. 'O graaf van Holland, vertel me hoe u zich thans voelt.'
'Hoe ik me nu voel: ik moet immers sterven. Had ik maar een vrouw met een kind aan wie ik mijn rijke bezittingen kon nalaten.
Ik heb nog wel een zoon, heer Jan, hij bevindt zich ver weg in een ander land, hij kan echter niet heersen over zijn bezit: mijn hart is daarom in groot verdriet gedompeld.
En dan is er mijn ene bastaardzoon, hij is nog zo jong, al zou het nog honderd jaar duren, die zal de dood van zijn vader wreken.'
Het duurde niet lang of Gerard van Velsen werd gevangen genomen, Heel vaak dacht hij bij zichzelf: 'Almachtig God, nu ben ik degene die hangt.'
Ophanging achtte men een te milde straf, hij moest minstens zeven keer zwaarder lijden. Men liet een vat vol spijkers slaan, daar liet men hem in zakken.
Zij rolden hem daar drie dagen lang in het rond, drie dagen voor de middag. 'Gerard van Velsen, beste man, hoe voelt u zich thans?'
'Hoe ik me nu voel, dat zal ik u zeggen: ik ben nog steeds dezelfde man die graaf Floris van het leven beroofde.'
|
|
|
|
|
NAAR BOVEN / TO TOP OF PAGE
|
|
 |